God, waarom moet u ons niet meer? U kookt van woede en vergeet uw mensen. – Wij waren toch uw schapen, Heer? En u was toch de herder? – Denk aan de mensen die u ooit hebt vrijgekocht! Wij zijn van u en u kwam bij ons wonen, God. Kom toch naar huis terug. Mijn God, hier woont u toch? – Sion is een spookstad, Sion is een eeuwige ruïne. – De vijand sloopte heel de tempel, De vijand sloopte heel de tempel. Uw tegenstanders gingen vreselijk tekeer. Zij zetten in uw huis hun eigen vaandels neer. Zoals je je een weg baant door het struikgewas, Zo banjerde de vijand door uw tempel heen. Met bijlen en met mokers leefden zij zich uit. Het houtsnijwerk verhakten zij tot aanmaakhout En daarna legden zij uw tempel in de as. Wat hoog en heilig is, werd in de grond getrapt. Ze zeiden bij zichzelf: 'Wij branden alles plat. De plaats waar zij hun God aanbidden gaat eraan.' Dus alles wat aan u herinnert, is verbrand. En niemand die ons zegt hoelang dit duren zal! Hoe lang krijgt deze vijand nog de vrije hand? Hoe lang wordt u nog door hen weggelachen, HEER? Hoe lang kijkt u nog toe en waarom doet u niets? Haal ongenadig uit, mijn God, en raak ze hard. God helpt zijn volk al eeuwenlang En hij regeert. De Heer is onze koning. – U bent toch onze koning, Heer? Zijn wij uw onderdanen? – De koning bracht bevrijding voor ons hele land En iedereen op aarde kent zijn goede naam. Hij spleet de zee in tweeën met zijn sterke hand. – Niemand kon de Heer aan, niemand kon de koning toen iets maken. – Hij brak de schedel van het monster, Hij brak de schedel van het monster. De grote zeeslang hebt u in de pan gehakt En als een feestmaal aan de dieren opgediend. U breekt de waterbronnen open als u wilt En hemelsbrede stromen legt u zomaar droog. De dagen zijn van u en ook de nachten, Heer. U gaf de zon een plaats, u wees de maan de weg. De grenzen van de aarde hebt u vastgelegd. De zomer en de winter zijn door u bedacht. Mijn God, u hoort toch hoe de vijand om u lacht? Volslagen idioten zien u als een grap. God, geef uw duifje toch niet aan die monsters prijs. Vergeet ons niet. Bedenk dat wij uw mensen zijn. De duisternis regeert, de haat is ons de baas. We hadden toch een afspraak? Denkt u daar nog aan? Laat arme mensen niet met lege handen gaan, Maar help ons, laat ons zingen van uw goede naam. God, vecht uw eigen rechtszaak uit En doe iets, neem het recht in eigen hand, Heer. – Zijn wij nog steeds uw schapen, Heer? Bent u nog onze herder? – Mijn God, u hoort toch hoe de vijand om u lacht? Volslagen idioten zien u als een grap. Uw goede naam wordt vrolijk door het slijk gehaald – Sion is een spookstad, Sion is een eeuwige ruïne – En aan hun vloeken komt geen einde, En aan hun vloeken komt geen einde.